 |
De vis van Maui
De mythische figuur Maui, half god en half zeerover, bevoer de zuidelijke zeeën van de Polynesische archipel en trok op zekere dag het Noordereiland als een enorme vis uit zee omhoog. Inderdaad heeft het Noordereiland met een beetje fantasie de vorm van een vis, waarbij Northland en de Bay of Islands het staartstuk vormen, Lake Taupo het hart en Wellington Harbour en Lake Wairarapa de ogen. De ronde vorm van Hawkes Bay aan de oostkust laat zien waar de vishaak heeft gezeten. De omhooggehaalde vis werd ‘Te Ika-nui-a-Maui’ genoemd, dat ‘de grote vis van Maui’ betekent. In deze indrukwekkende scheppingsmythe was het Zuidereiland (Te Waipounamu) de kano van Maui en Stewart Island (Rakiura) zijn anker. Waarschijnlijk is deze mythe een poëtische weergave van de ontdekking van Nieuw-Zeeland.

Aotearoa
Zeevaarder Kupe gaf het door Maui opgeviste land als eerste een naam. Hij ontdekte omstreeks het jaar 925 een land, waarboven een laaghangende bewolking hing. Hij noemde het Aotearoa, dat ‘Land van de lange witte wolk’ betekent. Kupe bereikte Nieuw-Zeeland waarschijnlijk in het uiterste noorden, verkende de oostkust van het Noordereiland en een deel van het Zuidereiland. Terug in zijn vaderland Hawaiki vertelde hij enthousiast over de ontdekte eilanden, waar bossen groeiden vanaf de oceaan tot de hoge bergen, met toppen zo wit als het schuim van de zee. Kupe maakte diepe indruk met zijn verhaal over de moa, een vogel van wel twee mensen hoog. Hij liet hen ook een stuk meegenomen jade, dat door zijn hardheid geschikt was om wapens, werktuigen en sieraden van te maken.
Rond 1200 werd Hawaiki geteisterd door stammenoorlogen, overbevolking en dodelijke ziekten. Nu pas besloten groepen Maori de oversteek naar het beloofde land te wagen in kano’s met romantische namen als ‘Te Arawa’ (de haai), ‘Mataatua’ (gezicht van een god), ‘Kurahaupo’ (stormwolk) en ‘Tokomaru’ (het leger van de oorlogsgod). Maanden later bereikten zij Aotearoa in een baai waar een aangespoelde walvis lag. Ze gaven het daarom de naam ‘Whangapararoa’. Deze baai lag onder de beschermende punt van Cape Runaway, een kaap die ook nu nog voor de Maori van grote betekenis is.
MEER WETEN? LEES: HOE DE MAORI NIEUW-ZEELAND ONTDEKTEN
Moa-jagers
Kupe had dan wel geen mensen gezien, maar Aotearoa was wel degelijk bevolkt. Er woonden primitieve stammen afkomstig van eilanden uit Oost-Polynesië. Dit baseren archeologen op het feit dat in Nieuw-Zeeland gevonden vishaken, stenen bijlen en sieraden overeenkomen met soortgelijke voorwerpen uit het oostelijke deel van de Stille Oceaan. Deze zogenaamde Moriori waren klein van bouw, hadden een donkere huid, kroeshaar en een brede neus. Zij zijn waarschijnlijk rond het jaar 700 naar Nieuw-Zeeland en de Chathameilanden overgestoken. Hun belangrijkste voedselbron vormden de spectaculaire moa’s, waarvan er 25 soorten in Nieuw-Zeeland voorkwamen. Deze grote, vleugelloze vogels konden wel drie meter hoog worden. Moa’s waren eenvoudig te vangen en dat heeft uiteindelijk tot hun uitsterven geleid. Behalve voor het vlees was deze vogel ook nog voor andere doeleinden belangrijk. Zo werden Moriori-leiders begraven met enorme kettingen van moa-beenderen en met water gevulde moa-eieren om mee te nemen naar het hiernamaals. Naast jagers en vissers waren de Moriori in beperkte mate ook landbouwers. Er zijn stenen opslagplaatsen gevonden, waarin vermoedelijk zoete aardappelen en vruchten bewaard werden. De Moriori waren geen krijgers, want ze leefden in nederzettingen op open land en hadden geen wapens. Ze waren dan ook kansloos tegen de krijgslustige Maori. Helaas is van de Moriori weinig bekend.

Maori
De nederzettingen van de Maori werden pa’s genoemd. Een pa omvatte een groot stuk grond met daarop houten hutten en voedselbewaarplaatsen. Het ontmoetingshuis was hun belangrijkste en mooiste gebouw. In dat huis werd vergaderd, getrouwd, gerouwd en gefeest. Omdat vrijwel alle Maori-stammen elkaar naar het leven stonden, werden pa’s bij voorkeur gebouwd op heuvels of gemakkelijk verdedigbare eilanden. De nederzetting werd beschermd door een aarden wal en palissaden. De Maori verbouwden groenten en zoete aardappelen (kumara’s) op kleine akkers. Ze gebruikten houten gereedschap en lieten geen dieren voor hen werken. Hun wapens daarentegen waren van steen, hout of been. Als hun territorium te klein werd, dan vielen ze gewoon een nabijgelegen stam aan. De vijandelijke stamleden die de bloedige gevechten overleefden, werden als slaaf tewerkgesteld of opgegeten. De Maori hadden geen kennis van materialen of pottenbakken. Maar hout bewerken konden ze als geen ander. Vooral de houten panelen, bestemd voor hun ontmoetingshuizen, werden kunstig bewerkt. Van been en jade werden mooie kunstvoorwerpen geslepen. De mannen ontleenden hun status aan hun tatoeages. Ze konden hun status verhogen door dapper gedrag te vertonen tijdens oorlogen. De stamleider en de priesters hadden de hoogste status. Het stamleiderschap werd van vader op zoon doorgegeven. De Maori waren in vergelijking met andere Polynesische volkeren hoog ontwikkeld.

Abel Tasman
Abel Janszoon Tasman kreeg in 1642 van de Verenigde Oostindische Compagnie de opdracht om op het zuidelijk halfrond op zoek te gaan naar nog onontdekte gebieden en deze in kaart te brengen. Hij kreeg de instructie om bij inboorlingen naar goud en zilver te informeren zonder hen daarbij kundig te maken. Met de schepen ‘Heemskerck’ en ‘Zeehaen’ vertrok Tasman eerst naar Mauritius om goederen voor de compagnie af te leveren en zoveel mogelijk water, brandhout en verversing in te nemen. Op 8 oktober, in het begin van de zomer van het zuidelijk halfrond, zette Tasman de expeditie in zuidelijke richting voort. Slecht weer maakte het hem onmogelijk om tussen de voorgenomen 52 en 54 graden zuiderbreedte te koersen. Een geluk bij een ongeluk, want als Tasman zich letterlijk aan de instructie had gehouden dan waren slechts wat onbelangrijke eilandjes ontdekt en was hij onder Tasmanië en Nieuw-Zeeland doorgezeild. Na de ontdekking van Tasmanië, dat hij Van Diemenslandt noemde, werd een oostelijke koers gevolgd en op 13 december kreeg Tasman ‘een groot hooch verheven landt’ in zicht, de westkust van het Zuidereiland. Hij volgde de kustlijn in noordelijke richting en ging op 18 december voor anker in een kleine baai. In de vroege ochtend van 19 december verscheen een dubbele kano met dertien Maori tot op een steenworp afstand van de ‘Heemskerck’. In zijn logboek beschrijft Tasman heel nauwkeurig hoe de Maori er uitzagen. Het waren mannen van gemiddelde lengte met rauwe stemmen, grof gebouwd en een huidskleur die tussen bruin en geel in lag. In hun zwarte haar, boven hun hoofd tot een knot samengebonden, was een witte veer gestoken. Hun kleding was gevlochten en bijna allemaal hadden ze een ontbloot bovenlijf. Hun kano bestond uit twee aan elkaar bevestigde prauwen, waar enkele planken overheen waren gelegd. Ze gingen heel bedreven met hun kano’s om en hun peddels waren ongeveer een vadem lang, dun en puntig. Tasman gaf hen meermalen te kennen, dat ze aan boord moesten komen. Na verloop van tijd kwamen er zeven kano’s van land. De grootste daarvan had zeventien man aan boord en bleef op een redelijke afstand om de ‘Heemskerck’ peddelen. Een tweede kano, met dertien Maori, naderde tot op een steenworp afstand. Tasman liet hen nogmaals linnen en messen zien, maar de Maori bleven waar ze waren. Jacobszoon Vischer, de schipper van de ‘Zeehaen’, besloot Tasman te waarschuwen om geen vreemdelingen op zijn schip toe te laten en stuurde zijn kwartiermeester met zes roeiers in een sloep naar de ‘Heemskerck’. De sloep werd onderweg door de Maori geramd en de stuurmansmaat werd vermoord. Dit was het sein voor de anderen om ook aan te vallen. Gewapend met korte, dikke houten knuppels en peddels, overweldigden ze de inzittenden van de sloep. Bij deze schermutseling verloren drie opvarenden van de ‘Zeehaen’ het leven en werd een vierde dodelijk gewond. Tasman gaf het bevel deze baai onmiddellijk te verlaten en gaf het de naam ‘Moordenaarsbaai’. Het nieuw ontdekte land kreeg de naam ‘Statenlandt’, maar werd later gewijzigd in Nieuw-Zeeland. Tasman vervolgde de kust verder oostwaarts om te zien of er geschikte plaatsen waren om drinkwater en voedsel in te nemen. Hij vermoedde een doorgang naar de Stille Oceaan, maar stormachtig weer, mist en hoge zee werkten hem tegen. Tasman zeilde verder noordwaarts langs de westkust van het Noordereiland. Hij ging nergens aan land en ontdekte slechts nog wat onbeduidende eilandjes. De noordkaap werd Kaap Maria van Diemen genoemd, naar de echtgenote van de gouverneur-generaal. Daarna werd teruggevaren naar Batavia, waar Tasman op 15 juni 1643 aankwam.

MEER WETEN ? LEES: HET DRAMA IN DE MOORDENAARSBAAI
James Cook
Ruim een eeuw later maakte de Engelse zeevaarder in de jaren 1768-1771 en 1772-1774 twee expedities rondom de wereld. Op 7 oktober 1769 ontdekte hij de oostkust van het Noordereiland en volgde deze in zuidelijke richting tot een kaap, die hij ‘Turnagain’ doopte. Cook keerde bij deze kaap en koerste noordwaarts, zeilde om de oostpunt van het Noordereiland en verbleef enige tijd in een uitgestrekte baai. In tegenstelling tot Tasman wist Cook wel vriendschappelijke betrekkingen met de Maori aan te knopen. Cook had van Tahiti een inboorling meegenomen, die zich goed verstaanbaar kon maken bij de Maori. In de Bay of Plenty (baai des overvloeds) kreeg Cook van hen drinkwater, aardappels, groenten en vis. Cook had overigens ook slechte ervaringen met de bewoners van dit nieuwe land en hij kreeg niet overal voedsel en water. In een baai ten noorden van Gisborne kreeg hij slechts wat sprokkelhout. Hij noemde deze landingsplaats Bay of Poverty (baai van de armoede). Bij Cape Kidnappers probeerden enkele Maori de Tahitiaanse inboorling tevergeefs te bevrijden. Cook ontdekte tijdens zijn eerste expeditie de doorgang tussen het Noorder- en Zuidereiland. Na het gehele Noordereiland te hebben omzeild was het Zuidereiland aan de beurt. Latere ontdekkingsreizigers hebben de waarnemingen van Tasman en Cook aangevuld en gecorrigeerd. Zo dacht Cook dat het schiereiland Banks, bij Christchurch, een eiland was. Hij was ook in de veronderstelling dat het eiland Stewart deel uitmaakte van het Zuidereiland. De zeestraat ertussen is later door walvisvaarders ontdekt en heet nu de Straat Foveaux. Het eiland is vernoemd naar William Stewart, die de verbrokkelde kust, vele insnijdingen, kreken en eilandjes in kaart had gebracht.
MEER WETEN? LEES: VOETSPOREN VAN JAMES COOK IN GISBORNE

Eerste Europeanen
De ontdekking van dit nieuwe land had geen gevolgen. Groot-Brittannië en Nederland bleven de voorkeur houden voor respectievelijk India en Nederlands-Indië. In het begin van de negentiende eeuw kwamen de eerste walvisvaarders en pelsrobbenjagers naar Nieuw-Zeeland. Zij vestigden zich voornamelijk in de Bay of Islands in het noorden van het Noordereiland. De zee was daar kalm, de natuurlijke havens lagen goed beschermd en er was voldoende kauri-hout aanwezig voor het bouwen en repareren van schepen. Missionarissen noemden dit gebied de ‘hel van de Stille Oceaan’. Zij troffen er overmatig alcoholgebruik en prostitutie aan. De verstandhouding tussen de Maori en Europeanen was, op een paar incidenten na, redelijk te noemen. Ze dreven zelfs enige handel met elkaar. Groot-Brittannië zond wel missionarissen, maar had nog steeds geen trek in dit verre land. Dat veranderde toen bleek dat de Fransen interesse hadden. In 1840 werd het Verdrag van Waitangi gesloten om een Franse kolonisatie van Nieuw-Zeeland te voorkomen.
Verdrag van Waitangi
Met het ondertekenen van het Verdrag van Waitangi erkenden vijfenveertig Maori-leiders de souvereiniteit van Groot-Brittannië. De Britse regering verleende de Maori de rechten van Britse onderdanen en erkende tevens het bezit van hun grond. Wat dit laatste punt betrof ontstonden er later grote problemen. De Maori meenden dat geheel Nieuw-Zeeland hen toebehoorde, maar de Britten vonden dat de Maori alleen recht hadden op de gronden die zij bewerkten en bebouwden. De Britten lieten rechten gelden op alle woeste gronden. Dit verschil in interpretatie gaf aanleiding tot bloedige gevechten. De Britten wilden de gronden in bezit nemen, terwijl de Maori hun oude rechten op het land verdedigden. Hoe taai hun verzet was bleek in de Taranaki-oorlog. De Britse nederzetting in Taranaki werd door de Maori in brand gestoken en totaal vernield. De Britten namen wraak en stelden een leger op van tienduizend soldaten, aangevuld met een gelijk aantal vrijwilligers en koloniale militie. De Britten beschikten over geweren en deugdelijk geschut. De Maori hadden slechts tweeduizend krijgers, maar hielden deze ongelijke strijd toch vijf jaar vol.
In 1861 woonden in Nieuw-Zeeland bijna honderdduizend Europeanen en nog maar vijftigduizend Maori. Zij werden geteisterd door tbc en kindersterfte. De overheid besloot de Maori te helpen. Er werd geld beschikbaar gesteld voor gezondheidszorg en onderwijs. In 1876 kregen zij het recht om vier vertegenwoordigers voor het parlement af te vaardigen, die hun belangen konden verdedigen. In 1937 werden wetten gemaakt, die het mogelijk maakten gelden beschikbaar te stellen voor het in cultuur brengen van de gronden, die nog eigendom van de Maori waren. Er werden maatregelen getroffen om jonge Maori op te leiden in tal van beroepen. Nadat de tbc was overwonnen steeg het geboortecijfer snel.
Op het Zuidereiland woonden vrijwel geen Maori, dus konden de Britten zich zonder problemen het land toeeigenen. Nederzettingen werden uit de grond gestampt. Merinoschapen werden vanuit Australië overgebracht en al spoedig bevolkten enorme schaapskudden het land.
New Zealand Company
Na de ondertekening van het Verdrag van Waitangi werd besloten om tot een georganiseerde kolonisatie over te gaan. Het was Edward Gibbon Wakefield die in 1840 de New Zealand Company oprichtte. Wakefield besloot de grond tegen een vastgestelde prijs te verkopen en van de opbrengst het transport van de emigranten naar Nieuw-Zeeland te bekostigen. Dit plan werd een overweldigend succes en al binnen enkele maanden was alle beschikbare grond uitverkocht. Toen de eerste kolonisten van de New Zealand Company in hun nieuwe vaderland aankwamen, ontdekten ze dat het allemaal minder rooskleurig was als hen in het vooruitzicht was gesteld. Er was veel meer land verkocht dan er beschikbaar was. Veel kolonisten konden bij aankomst niet meteen aan de slag en trokken op eigen risico landinwaarts. Sommigen kwamen in aanvaring met moordzuchtige Maori. Onder de eerste gouverneur Sir George Grey werd een kolonisatieschema uitgewerkt voor de Schotse vrije kerk in de heuvels van Otago en voor de anglicaanse kerk op de vlakten van Canterbury.
MEER WETEN? LEES: DE VERGETEN KATHEDRAAL VAN CHRISTCHURCH
Landbouw
De eerste kolonisten verbouwden hun gewassen vrijwel uitsluitend voor zichzelf. De landbouw ontwikkelde zich het sterkst aan de oostkust van het Zuidereiland. Daar was het vrij droog en konden de aanwezige graslanden gemakkelijk tot bouwland worden omgeploegd. Het opzetten van een veestapel was verre van eenvoudig. Schapen die vanuit Sydney werden aangevoerd stierven omdat ze het vochtige klimaat niet konden verdragen. Overigens was het James Cook geweest die bij zijn bezoek aan de streek Marlborough de eerste twee schapen aan land had gebracht. Door merino’s te kruisen met Europese rassen werd uiteindelijk een ras verkregen dat hier wel kon aarden. Nieuw-Zeeland kon zich op de export van vlees en wol gaan toeleggen. De uitvinding van de koeltechniek zorgde ervoor dat lamsvlees, rundvlees, boter en kaas naar Groot-Brittannië konden worden geëxporteerd. In 1881 maakte een speciaal ontworpen koelschip een proeftocht met Nieuw-Zeelands lamsvlees. De koelmachine ging stuk en het ingevroren vlees moest in eigen land worden opgegeten. In 1882 bereikte een koelschip zonder problemen Londen. Dit was het begin van een geweldige opbloei van de schapenteelt en de zuivelindustrie in Nieuw-Zeeland.
Goudvondsten op het Zuidereiland
In 1861 werd op het Zuidereiland in het district Otago goud ontdekt in de rivieren Shotover, Arrow en Tuapeke. Al snel werd duidelijk dat Nieuw-Zeeland tot de rijkste goudlanden ter wereld behoorde. De goudkoorts brak uit en tienduizenden fortuinzoekers, onder andere uit Australië en Californië trokken naar Otago. Met name de komst van ervaren goudzoekers uit Australië was van grote betekenis voor de exploitatie van de goudvelden. Zij ontdekten namelijk al snel dat alleen de oppervlakkige goudlagen gewonnen waren en dat de goudzoekers nog niet tot dieper gelegen lagen waren doorgedrongen. Ze wisten uit ervaring dat daar het meeste goud te vinden was. Er werden inderdaad diepere goudlagen gevonden, die de aan de oppervlakte liggende lagen ruimschoots overtroffen. Otago werd een snelgroeiend handels- en industriecentrum. Er werden spoorlijnen en wegen aangelegd. Toen in Otago de goudvondsten minder werden, probeerden de fortuinzoekers hun geluk aan de westkust.
Dominion in het Britse Gemenebest
In 1856 werd Nieuw-Zeeland een Britse kolonie en kreeg het op bestuursniveau een grote mate van zelfstandigheid. Al speelde de gouverneur-generaal (vertegenwoordiger van de Britse kroon) een veel belangrijkere rol dan nu. In 1907 verkreeg het land de status van Dominion in het Britse Gemenebest. Nieuw-Zeeland werd veertig jaar later een onafhankelijk land, maar bleef lid van het Britse Gemenebest. De laatste jaren wordt de roep om volledige zelfstandigheid steeds groter. Vooral de nationale vlag met daarin afgebeeld de Britse Union Jack is een doorn in het oog. In het bijzonder de Maori-bevolking stoort zich er aan. De beroemde kunstenaar Friedensreich Hundertwasser ontwierp daarom een nieuwe nationale vlag; een groene gestileerde vishaak (de vishaak van Maui) tegen een witte achtergrond. Echter tot op heden heeft deze vlag het nog niet verder gebracht dan de souvenirwinkel.
Nieuw-Zeeland en de wereldoorlogen
Tijdens de Eerste Wereldoorlog vochten ongeveer honderdduizend Nieuw-Zeelandse soldaten in Turkije (slag om Gallipoli) tegen de vijand. Ze vormden met de Australiërs het gezamenlijke leger van het Australia New Zealand Army Corps, kortweg ANZAC genoemd. In acht maanden tijd sneuvelden ongeveer zeventienduizend Nieuw-Zeelandse soldaten.
Ook in de Tweede Wereldoorlog was het ANZAC-leger actief. Ruim tweehonderdduizend Nieuw-Zeelanders vochten in Europa, Afrika en Azië. Een op de drie soldaten zou niet meer huiswaarts keren. De slachtoffers uit de Eerste en Tweede Wereldoorlog worden op ANZAC-Day (25 april) herdacht.
Na de Tweede Wereldoorlog
In de jaren vijftig ging het Nieuw-Zeeland economisch voor de wind. De gemiddelde inkomens lagen alleen in Canada en de Verenigde Staten hoger. Omdat het in de agrarische sector zo buitensporig goed ging, werd de noodzaak om te industrialiseren niet ingezien. Daar kwam nog bij dat Nieuw-Zeeland wat de export van zijn agrarische producten betrof, volledig afhankelijk was van Groot-Brittannië. Toen het voormalige moederland in 1973 lid van de EEG werd, voltrok zich voor Nieuw-Zeeland een economische ramp. Groot-Brittannië importeerde voortaan zijn agrarische producten uit EEG-landen. De oliecrisis kwam daar nog eens bovenop. De grondstoffen en industriële producten die Nieuw-Zeeland moest importeren stegen flink in prijs, terwijl de prijzen van de belangrijkste exportproducten juist kelderden. Het land moest enorme bedragen lenen om het tekort op de handelsbalans te kunnen dekken. De buitenlandse schulden stegen flink, met als gevolg een enorme inflatie. Nieuw-Zeeland afhankelijk van de export van agrarische producten en moet het dure industriële producten invoeren.
No Nuke-zone
In 1987 verklaarde Nieuw-Zeeland zichzelf tot een nucleairvrije staat. Het ging daarin zelfs zo ver dat in de jaren negentig Amerikaanse oorlogsschepen met nucleaire wapens aan boord in de Nieuw-Zeelandse havens geweigerd werden. Dit tot grote ergernis van de machtige Amerikanen die eerder met Australië en Nieuw-Zeeland een veiligheidsverdrag hadden ondertekend. Ze dreigden met allerlei sancties, maar daar trok Nieuw-Zeeland zich niets van aan. Het land verzette zich in 1995 heftig tegen de Franse atoomproeven op het atol Mururoa in de Stille Oceaan. De regering stuurde er zelfs een onbewapend oorlogsschip naar toe. Dat mocht echter niet baten. Fransen zijn dan ook niet erg populair bij de bevolking, ook al omdat ze in 1985 door middel van een bomaanslag het Greenpeace-schip de ‘Rainbow Warrior’ in de haven van Auckland tot zinken hadden gebracht.
Waitangi-Tribunaal
Op Waitangi Day in 1981 begonnen radicale Maori-groeperingen met hun protesten tegen schendingen van het verdrag uit 1840. Zij eisten dat de Nieuw-Zeelandse regering het onrecht dat de Maori was aangedaan zou compenseren. Langzaam zag de politiek in dat het iets had goed te maken. In 1989 werd een eerste rechtszaak bij het door de Labour Party opgerichte Waitangi-tribunaal gewonnen. Dit tribunaal behandelt alle klachten van Maori die te maken hebben met schendingen van het Verdrag van Waitangi. In de meeste gevallen zijn dat klachten over landaankopen, onrechtmatige onteigeningen en visserijrechten. Daarna volgden meer succesvolle rechtszaken. De overheid heeft sinds 1989 heel wat onrechtmatig toegeeigende grond dat staatseigendom was moeten teruggeven. Voor land dat inmiddels privé-eigendom was geworden verstrekten zij de Maori een financiële compensatie. Het gaat om niet geringe bedragen. Zo ontvingen Maori-stammen samen bijvoorbeeld de helft van de aandelen van Nieuw-Zeelands grootste visserijbedrijf. Deze aandelen vertegenwoordigden een bedrag van ongeveer 350 miljoen Nieuw-Zeelandse dollars. De stam Tainui ontving van de overheid een bedrag van 170 miljoen dollar plus land en excuses van de Nieuw-Zeelandse regering.
Vrouwelijke premiers
Op 8 december 1997 nam Jenny Shipley het premierschap over van Jim Bolger, die zeven jaar aan het bewind was geweest. Zij had Bolger terzijde geschoven als leider van de Conservatieve Nationale Partij. Zij was daarmee de eerste vrouwelijke premier van Nieuw-Zeeland. Een jaar later werd zij opgevolgd door Helen Clark van de Labour Party.
|